Poëzie – Eigen gedichten

Lonesome Zorro
(ode aan Arno)

Zij spelen met elkaar, riffs op ritmes,
je hoort de snaren trillen,
zweet spettert op.
Hun koppen stomen als koperen ketels, fluitend
fluistert hij zijn machtig geronk.

Zijn stotterende ballen beuken op het publiek,
zij joelen, uit hun verhitte lijven dansen er sterren,
een sigaret steekt op en ontvlamt,
hij houdt aan, toonladder op toonladder op toonladder,
zij zweven in dampende massa’s, hij is GOD.

Dan worden cimbalen cynisch geslagen,
het is een oorlogskreet, het hitsig gedein
van klank en lust bereikt zijn orgastische hoogtepunt.
Zij druipen af
en god schiep zijn achtste dag.